Dood aan de ironie

Dood aan de ironie

Eva Peeters
geschreven door Eva Peeterslaatst aangepast op 17/06/2016
OPINIE * Vormingplus bestaat 10 jaar en dat mocht niet onopgemerkt voorbijgaan. Onder de noemer 10.10.10 kreeg het publiek op 10 oktober 2014 in het Vlaams parlement 10 prikkelende statements voorgeschoteld. Eva Peeters van Groeten uit Transitië haalde de ironie uit haar lijf en legde in alle ernst haar kaarten op tafel.
Groeten uit Transitie
De ploeg achter het boek Groeten uit Transitië. Foto: Els Menten

’s Ochtends opstaan, wassen, aankleden, kinderen helpen, ontbijttafel dekken, stiekem ook even je smartphone aanzetten en net als de kinderen de deur uit zijn nog met een halve kom onbijt op je schoot al even het eerste nieuws checken. Kent iemand dat?
Mij zouden ze dat moeten verbieden. Vorige maand opende ik zo mijn Facebook-pagina en zag dat mijn eco-collega Steven Vromman ’s ochtends vroeg een artikel uit De Morgen gepost had: “Club van Rome krijgt gelijk: Wereld vergaat nog deze eeuw.”
Mijn dag was stuk.
Lichtjes in paniek sprak ik mijn vriend er over aan.
Zijn dag was ook stuk.
Net voor ik vertrok, repostte ik het artikel snel op mijn eigen Facebook-pagina. Op het einde van de dag zag ik dat ik 4 likes had en dat het 1 keer geshared was.

*

Als ik ongegeneerd beken dat ik billenzalf van Weleda op mijn lippen heb gesmeerd omdat ik de lippenzalf niet vond, dan krijg ik 22 likes. Als ik post dat ik op zoek ging naar mijn koersbroek maar in de plaats daarvan rapporten uit het middelbaar vond die zeiden ‘je houding is storend, toom die babbelwoede in’, dan krijgt dat 49 likes. Als ik dat bewuste artikel van De Morgen op mijn eigen pagina post, dan krijg ik 4 schoorvoetende likes en 1 share. Ja, ironie en zelfspot, dat scoort goed. Verontwaardiging iets minder.

*

Ik vind niks leuker op Facebook dan eens goed met mezelf lachen en dat te delen met anderen zodat de sérieux van het leven voor iedereen af en toe eens opgelicht wordt. Voor mij geen façade die steeds moet blinken. En dat scheelt een pak gewicht voor iemand met te veel plichtsbewustzijn. Maar hoe belangrijk ik het ook vind – ZEKER in de duurzaamheidssector – om te durven lachen met jezelf of met een situatie, er zijn wel grenzen aan de ironie. Er schuilt een gevaar in dat overrelativeren. Een overdaad aan ironie maakt engagement kapot. Want als de balans tussen relativeren en ernst zoek is en je alles systematisch met een kwinkslag ontmijnt, voel je na een tijdje misschien geen behoefte meer om je ergens voor in te zetten, of om bij te dragen aan verandering. Alles is een grap.

En daarom vandaag: Dood aan de ironie!
In plaats van in mijn typische zelfspottende rol te kruipen, heb ik beslist om een oversneden niet-ironische brok persoonlijke visie op tafel te leggen. Ik geef mij bloot, ik zeg jullie wat ik echt denk, waar ik echt in geloof, wat volgens mij de weg is die we op moeten.

*

Ik weet niet hoevelen onder jullie dat bewuste artikel gelezen hebben. Het gaat over de snelle afbrokkeling van onze samenleving, omdat we nog steeds – 40 jaar na het rapport van de Club van Rome – niet uit die business-as-usualhouding gekropen zijn. We doen voort op hetzelfde elan, groei groei groei en we blijken netjes de negatieve voorspellingen van het computerprogramma van in 1972 te volgen.
Aangezien het er niet naar uitziet dat we nu onmiddellijk een ommezwaai zullen maken, wil dat zeggen dat de voorspellingen over de nabije toekomst – zijnde voedseltekort, steeds grotere vervuiling, grondstoffentekort, besparingen allerhande, etc. – vrij realistisch zijn.

*
Als ik dergelijke berichten lees, krijg ik eerst een paniekaanval, en vervolgens een stevige shot doe-energie. En ik ben daar niet alleen in – getuige de waaier aan goeie ideeën en initiatieven rond duurzaamheid die de laatste jaren de grond uit geschoten zijn.
Op zo’n doe-moment borrelen allerlei wilde ideeën en ‘oplossingen’ in mij op. Ik probeer dan te graven naar de essentie, de prioriteit die ik voor mij zie als ik aan de toekomst denk. In het verleden was dat bij mij bv. het verhelderen van het begrip ‘transitie’. Het tonen van wat duurzaamheid in het dagelijks leven kan inhouden. Het inspireren van zoveel mogelijk mensen door een combinatie van lichte ironie en tegelijkertijd ernst en cijfers. Het resultaat was ons boek Groeten uit Transitië.
Vandaag sta ik daar nog steeds 100 procent achter, maar ben ik ervan overtuigd dat er ook een aanvullende beweging moet zijn, want we hebben niet veel tijd meer over. De kans dat we allemaal samen wakker worden om het tij nog te keren, lijkt erg klein te zijn. Ik verzin dat niet. Steeds meer artikels van onderzoekers en wetenschappers wereldwijd schreeuwen dat uit.

*

Dat ene essentiële idee dat ik na het lezen van dat artikel in De Morgen uit mijn ideeënstorm kon distilleren was zelfvoorzienigheid. Het zelf voorzien in je basisbehoeften. Als burger meer onderdelen van het dagelijkse leven in eigen of gemeenschappelijke handen hebben. Een gemeenschap zo organiseren dat ze zelf in de meest basale levensvoorwaarden kan voorzien: voedsel, water, elektriciteit, maar ook geneeskunde, kledij, afval en zoveel andere zaken moeten terug dichterbij onszelf komen. We zijn voor bijna alles afhankelijk van bedrijven en gespecialiseerde kennis die verstopt zit bij enkelingen. Als burger ben je vandaag geneigd te geloven dat je weinig zelf kan. Als dan de economie in elkaar stuikt of er gebeurt een of andere natuurramp, zullen we die zelfstandigheid, onze eigen kracht en vaardigheden van nul af aan opnieuw moeten ontdekken.

Daarom denk ik dat een van de prioriteiten vandaag moet zijn dat we die vaardigheden terug bij de burgers moeten brengen. Ik zie guerillascholen voor mij, plekken waar mensen de meest eenvoudige vaardigheden opnieuw kunnen leren. Workshops in wildplukken, houtbewerking en bouwen met recupmateriaal, moestuinieren, zaden oogsten, oogst bewaren, olieonafhankelijkheid, elektriciteitsonafhankelijkheid, zelf energie opwekken, zelf water zuiveren. Maar het gaat niet alleen om zulke praktische en technische vaardigheden. Ik zie ook een nood aan sociale vaardigheden: het leren om samen te werken, en bij crisis niet meteen op jezelf terug te plooien, het aanwakkeren van gemeenschapsgevoel en gemeenschapsondernemen. De reflex van ‘ieder voor zich’ ombuigen naar ‘samen staan we sterker’. Het gaat niet over ieder voor zich, maar over wij samen. De ‘zelf’ in ‘zelfvoorzieningheid’ openrekken naar de gemeenschap. Denk ik aan een gemeenschap waar iedereen afzonderlijk probeert om te gaan met schaarste en natuurrampen, dan zie ik chaos en angst. Denk ik aan een gemeenschap die samenwerkt, dan zie ik warmte en veiligheid.

*

Op die manier kunnen we mensen terug de macht geven over hun eigen leven, door hen te laten ontdekken wat ze allemaal zelf kunnen, op welke uiteenlopende manieren ze zich kunnen lostrekken van het dominante systeem waarvan we intussen weten dat het onze samenleving ten val brengt. Een systeem dat ons doet denken dat we, zolang we dociel zijn, in de pas lopen, braaf gaan werken en flink consumeren, machtig en vrij zijn, maar dat ons in feite zo afhankelijk maakt als een baby.

De echte vrijheid ligt te wachten op zij die zich lostrekken van die slaafs makende samenleving, zij die niet langer proberen om zich in te passen in een uniformiteit maar op zoek gaan naar hoe ze hun leven zo kunnen organiseren dat het hen past als een maatpak. En ik twijfel niet dat de kennis, vaardigheden en instrumenten die tot zo’n zelfredzaamheid kunnen leiden allemaal nog aanwezig zijn in onze gemeenschap, zij het misschien op eerder geïsoleerde plekken. Maar ze vrágen erom, en wíj vragen erom, gedeeld te worden met een zo breed mogelijk publiek. Ik zie een school voor toekomstvaardigheid, ‘veerkracht’ zoals ze dat noemen, een proeflab waar je samen leert om je eenvoudige dingen terug toe te eigenen. Waar wachten we op?

Lees ook het artikel 'De waarde van iets te houden'